Persoonlijk ontwikkelingsplan 2
Inleiding
Op 25-11 heeft mijn studiebegeleider de tijd genomen om een sportles bij te wonen. Bij dit stagebezoek heeft hij mij en mijn stagebuddy voorzien van feedback. Dit hebben wij na de les nabesproken onder toezicht van mijn stagebegeleider. Om dit moment zo lerend mogelijk te maken wil ik hierop terugblikken. Hierin ga ik minder inhoudelijk op de les zelf zitten, omdat ik iedere week met mijn stagebegeleider al reflecteer op mijn ontwikkeling op het lesgeven.
Als ik terugdenk op dit stagebezoek kwamen er twee punten direct bij mij naar boven. Wat zijn mijn persoonlijke eigenschappen en de daarbij horende gevolgen. Met andere woorden heb ik stil gestaan bij mijn natuurlijke, handige en trotse kwaliteiten en wat dit dan teweeg brengt in de praktijk voor de leerling.
Hiervoor heb ik als eerst mijn eigen profiel binnen het bewegingsonderwijs in kaart gebracht. Verder heb ik gereflecteerd op mijn persoonlijke eigenschappen/sterke kanten en wat dit teweeg brengt binnen mijn les. Ook heb ik Siert geïnterviewd om erachter te komen hoe ik verschillende leerlingen kan herkennen en dus rekening kan houden met kwetsbare leerlingen. Hiermee ben ik aan de slag geweest in de praktijk. Dit is talentkrachtig, zorgen dat iedere leerling gekend wordt en zich kan ontwikkelen.
Inhoudsopgave:
Wie ben ik als sportleraarMijn eigen leerkrachtgedrag
Kwetsbare leerlingen
Persoonlijk ontwikkelingsplan
Coachgesprek volgens Siegers
Transactionele analyse
Persoonlijke reflectie
Wie ben ik als sportleraar:
‘’Een autoritatieve lesgever.’’ Dit waren de woorden van mijn 2 stagebegeleiders, Wisse Robers en Bart Haddink, uit semester 3 en 4. Woorden die mij verbaast en tegelijk trots maken. Woorden die ik voor mijzelf niet zou uitspreken. Vanuit mijn eigen gedachtes had ik verwacht dat ik meer een autoritaire lesgever zou zijn. Normaliter hou ik van structuur en duidelijkheid. Toch zag eenieder dat mijn daden anders spraken.
Vanaf mijn eerste stageperiode was ik continu contact aan het maken met de leerlingen. Zo bouwde ik al snel een band op. Nu in semester 5 hoor ik ongeveer dezelfde geluiden van mijn stagebegeleider Willem den Hartogh. Hij gaf aan dat mijn pedagogische kwaliteiten duidelijk zichtbaar waren in mijn lesgeven. Hoe het gaat met de leerling vind ik zelf ook belangrijker dan of hij een basketbal wel middels de juiste techniek gooit. Mijn stagebegeleiders zagen dat de klassen graag hard voor mij willen werken. Dit is namelijk ook wat ik graag in mijn lessen terug wil laten komen. Dat eenieder gezien, gehoord en gerespecteerd wordt. Ieder kind telt!
(figuur 1, uitspraak Wisse en Bart)
Na 2,5 leerzame studiejaren kan ik stellen dat ik inmiddels een rugzak vol ervaring en kennis heb opgebouwd. Tijdens mijn stageperiode van semester 3 en 4 heb ik echt kennis mogen maken met de rol als sportleraar binnen het voortgezet onderwijs. Een studiejaar lang heb ik zelfstandig lessen mogen verzorgen op het Praedinuis Gymnasium te Groningen. Daarnaast heb ik ook een half jaar lessen mogen verzorgen op de OBS Oosterhoogebrugschool en de ISK (internationale schakelklas).
Ik heb mijzelf voornamelijk ontwikkeld in mijn klassenmanagement, structuur aanbieden en mijn normen en waarden terug laten komen in mijn lessen. Waar ik het meest trots op ben is dat ik nu vrijheid in gebondenheid kan toepassen in mijn lessen. Dit is waar ik in het begin van mijn stageperiode het meest tegen aanliep. Wanneer je dit bewust toepast maakt het je klassenmanagement en structuur aanbieden vele malen makkelijker. In het begin van semester 3 heb ik samen met Wisse en Bart een doel afgesproken, dat ik aan het eind van semester 4 zelfstandig les kan geven en daarmee zelfstandig voor een groep kan staan. Dit doel is bereikt!
(Figuur 2, uitspraak Wisse en Bart)
Wanneer ik een sportleraar moet vertalen in 3 woorden die ik zelf belangrijk vind zijn dat vertrouwen, respect en principes. Dit zou ik dus zelf ook willen nastreven. Nu heb ik een vraag gesteld aan medestudenten die mij van dichtbij hebben zien lesgeven. Ik vroeg aan hun wat 3 woorden zijn die mij momenteel vertalen als sportleraar.
(Figuur 3, uitspraken studiegenoten)
Mijn eigen leerkrachtgedrag:
Enthousiast, gedreven en betrokken zijn mijn grootste drie persoonlijke eigenschappen die meespelen in mijn leerkrachtgedrag. Ik heb een natuurlijke energie die anderen aansteekt. Nu is het zo dat mijn sterke kanten ook valkuilen kan meebrengen. Het is goed om hierbij stil te staan en meer inzicht te krijgen in mijn leerkrachtgedrag om toekomstige botsingen met leerlingen te voorkomen.
Ik herken veel van mezelf in een assertieve persoonlijkheid. Ik ben niet bang om mijn mening te geven, maar doe dit altijd op een respectvolle manier. Ik sta voor mijn grenzen zonder de bedoeling te hebben om macht uit te oefenen. Tegelijkertijd weet ik dat dit uitdagingen kan geven: keuzes maken voor leerlingen of sterk de regie pakken voelt soms minder natuurlijk. Pas als mijn grenzen echt worden overschreden, treed ik duidelijk op.
Daarnaast heb ik een appellerende kant: mijn aanwezigheid roept iets op bij leerlingen, vaak zonder dat ik het doorheb. Ik stel regelmatig korte check-in vragen zoals “Hoe is het?” of “Gaat het vandaag oké?”, en wanneer de relatie goed is, ga ik makkelijk een laagje dieper. Dat komt voort uit mijn oprechte nieuwsgierigheid en mijn wens om iedereen te helpen en te begrijpen. Leerlingen kunnen mij niet zomaar negeren; mijn aanwezigheid is voelbaar in de gymzaal. Dat zie ik niet als iets negatiefs, maar juist als een kracht waar ik bewust gebruik van kan maken.
Op onderstaande video is te zien dat ik in mijn instructie constant contact zoek met iedere leerling. Al spreek ik de leerling niet letterlijk aan, dan wel met oogcontact. Ik ben erg aanwezig. Je komt niet zomaar onder mij vandaan. Tijdens mijn instructie wilt er een jongen opstaan en iets anders gaan doen. Ik bedenk mij niet en begrens dit direct op het moment dat ik dit zag. Ook na mijn instructie observeer ik iedere leerling. Ik merk binnen enkele seconden dat er drie meiden op de bank blijven zitten. Zonder erbij na te denken, om ze te helpen, duik ik er direct bovenop. Hierbij houd ik geen rekening met waar het individu baat bij heeft.
Kwetsbare leerlingen:
“Om te beginnen bij de introverte, faalangstige leerling: die moet je tijd en ruimte geven, en soms ook juist afstand bewaren, om tot deelnemen te komen.” zegt Siert. Introverte en faalangstige leerlingen sluiten zich vaak af in hun eigen wereld. Wanneer je als docent te enthousiast of te dichtbij komt kunnen ze juist dichtklappen. Zie je bijvoorbeeld dat een leerling die eigenlijk aan de beurt is toch weer achteraan sluit, dan is het al knap dat hij überhaupt in de rij staat. Op dat moment is het belangrijk om met inlevingsvermogen het juiste moment te zoeken voor een vraag als “wat houd je tegen?” of “wat kan ik doen zodat je wel mee durft te doen?”
Ook een korte vraag op gepaste afstand zoals “Kom je meedoen?” kan helpen. Maar wanneer je er direct bovenop zit werkt dat vaak averechts. Je moet aanvoelen wanneer het juiste moment is om in te grijpen. Als je merkt dat de situatie niet veilig aanvoelt voor een introverte, faalangstige leerling mag je ook gerust zeggen “blijf nog maar even zitten.”
Terugkoppelend naar mijn eigen sterke kanten merk ik dat ik soms te snel actie wil. Zonder dat ik het doorheb kan ik te snel op een leerling afstappen omdat ik iedereen graag aan het werk wil hebben of wil helpen. Achteraf realiseer ik me dan dat mijn aanpak niet helpend was. Daarom is het belangrijk om bewust na te denken over wanneer en hoe je sturing geeft. Bewaar een veilige, gepaste afstand en kom niet te dichtbij.
Leerlingen met ASS of prikkelovergevoeligheid hebben vaak behoefte aan ruimte om te bewegen. Ze kunnen moeite hebben met stilzitten, luisteren en focussen. Een leerling kan bijvoorbeeld tijdens een volleybal les uit overprikkeling even een bal weg trappen om te ontladen. Gebruik dan oogcontact, naam noemen en duidelijke kaders om hem terug te sturen naar het juiste gedrag.
Een goede relatie is erg belangrijk bij leerlingen met ASS. Die relatie kan alleen snel onder druk komen te staan wanneer je hen regelmatig aan de kant moet zetten om de veiligheid van de groep te bewaken. Dat is lastig, vooral in een grote groep. Je kunt helpen door vooraf duidelijk te vertellen hoe de les eruit gaat zien. Structuur en voorspelbaarheid geven rust bij de leerling. Halverwege de les kun je ook alvast met de leerling bespreken hoe het eindspel en de afsluiting eruitzien.
Na de klassikale instructie kan ik er ook voor kiezen om 90% van de klas direct aan de slag te laten gaan. Leerlingen die nog even rust of bedenktijd nodig hebben mogen blijven zitten en later aansluiten. Dit moet ik dan wel kaderen. Het is bedoeld voor leerlingen die wat extra tijd nodig hebben om een bepaalde overweging te maken.
In en uit de groep durven te stappen is ook een aanpak die mij kan helpen als docent. Hierdoor kan ik mijn energieniveau doseren, zodat prikkelgevoelige leerlingen niet te overweldigd raken. Na de instructie kan ik dus bijvoorbeeld uit de groep stappen, observeren, wachten (zolang het veilig blijft) en als het nodig is operante conditionering toepassen. Belonen en begrenzen.
Persoonlijk ontwikkelingsplan:
In mijn lessen wil ik onderzoeken hoe ik mijn docentgedrag kan aanpassen aan kwetsbare individuen. Ik wil leren schakelen tussen meer leidend gedrag (zoals in het directe instructiemodel) en coachend gedrag. Het DIM blijft leidend om de hele klas aan het werk te krijgen, maar voor kwetsbare leerlingen wil ik meer maatwerk leveren door bewust coachend op te treden (luisteren, vragen stellen, ruimte geven en niet oordelen).
Dit vraagt dat ik nadenk over:
- De manier waarop ik vragen stel;
- Hoeveel fysieke en emotionele afstand ik bewaar;
- Hoe ik leerlingen ongelijk durf te behandelen op een eerlijke en passende manier;
- Hoe ik mijn assertieve en appellerende persoonlijkheid kan verzachten wanneer dat nodig is.
Om zowel assertief als appellerend te blijven zonder voor sommige leerlingen te aanwezig of confronterend te worden kan ik mijn docentrol aanpassen. Een passende rol hiervoor is de coachrol. Dit houdt in dat ik mijzelf vragend, observerend en analyserend opstel. Om dat te oefenen maak ik gebruik van het OKV-model (TA) en het coachgesprek volgens Siegers.
Coachgesprek volgens Siegers:
Nu heb ik om te oefenen met mijn POP een gesprek gehad met een leerling waar ik bewust het OKV-model en het coachgesprek volgens Siegers heb toegepast. Hierbij hielt ik rekening met de valkuilen van mijn persoonlijkheid.
Op mijn stageplek heb ik een uni hockey les verzorgd aan klas PMB2A op de ISK. Nu is het zo dat jongen A vanaf het begin van de les zich al ingetogen gedroeg. Ik herken de jongen als een vrolijke, enthousiaste jongen die graag mee wil doen. Niet met een fanatiek motief en de wil om te winnen, maar om gezellig samen met zijn klasgenoten te sporten. Zijn ingetogen gedrag viel mij direct op. Kijkend naar de groepsdynamiek zat hij tijdens de klassikale les opstart aan de zijkant van de groep. Ook zat er een gat tussen hem en de leerling naast hem. Dat hij liever niet in de groep wou duiken was zichtbaar. Toen ik de klaar was met mijn instructies bleef hij nog even op de bank zitten. Wat mij hier het meest van bijgebleven is dat hij met zijn capuchon om zijn hoofd zat. Na het eerste lesgewricht besloot hij de les te verlaten en had hij, na mijn idee, geen behoefte om met andere mensen samen te zijn. Ik ben achter jongen A aangelopen en ben met hem een één op één gesprek begonnen. Dit gesprek werd gevoerd op de gang. Hier was verder niemand aanwezig, waardoor er rust en privacy ontstond voor een veilig coachmoment.
Ik ben het gesprek rustig begonnen en zonder aannames. Vanuit mijn leerkrachtgedrag heb ik van nature al een open houding. Bij dit gesprek hield ik rekening met mijn volwassene positie. Ik maakte eerst contact door simpelweg te vragen hoe het gaat. Nu ik erop terugkijk hield ik een best grote afstand, ongeveer vijf meter, met de jongen. Ik vroeg al vrij snel of hij akkoord ging om even kort te praten. Hiermee heb ik gecontracteerd. Ik checkte of hij openstond voor een gesprek en gaf hem de ruimte om nee te zeggen. Hij sprak na mijn idee een beetje wartaal en woorden die ik niet kon verstaan. Dit is ook heel logisch door de taalbarrière, alleen door de non-verbale communicatie zag ik dat hij liever ervan door wou gaan. Toch mocht ik het gesprek met hem blijven voeren. Hij bleef namelijk staan en ging mee in het verdere gesprek.
Nu is het zo dat ik de jongen graag wou helpen. Zijn ingetogen gedrag gaf mij echter veel vraagtekens. Nu weet ik vanuit mijn leerkrachtgedrag dat ik al snel direct kan zijn en diepere vragen kan stellen. Mijn doel was om rekening te houden met de behoefte van de leerling door eenvoudige, niet sturende, vragen te stellen. Ik kreeg al snel door dat de jongen aangaf dat hij vooral de behoefte had aan rust en even geen contact met andere mensen. Hij heeft dit niet letterlijk gezegd, maar door zijn non-verbale communicatie kon ik aan hem merken (de groepsdynamiek, capuchon en het vroegtijdig verlaten van de les) dat hij geen behoefte had aan drukte.
Tijdens het gesprek met leerling A merkte ik dat een aantal van mijn eigen kwaliteiten direct helpend waren. Mijn autoritatieve opvoedstijl kwam sterk naar voren. Doordat ik in mijn lessen veel aandacht geef aan contact maken en betrokkenheid heb ik de kwaliteit om snel een band op te bouwen met leerlingen. Dat was ook het geval met jongen A. Hij kende mij als iemand die hem ziet, hoort en serieus neemt. Dat maakte dat hij ondanks zijn ingetogen houding toch bereid was om te blijven staan, te luisteren en kort antwoord te geven.
Ik merkte dat ik de situatie al snel had gelezen zonder te oordelen. Ik zag dat de jongen ander gedrag vertoonde dan anders. Wat precies de reden was is onduidelijk, maar dat er iets aan de hand was wist ik zeker. Dit is ook geen jongen van het negatief aandacht vragen. Mijn prioriteit ligt altijd bij hoe de leerling zich voelt. Deze prioriteit was dan ook de basis waardoor dit coachmoment überhaupt mogelijk werd. Mijn kwaliteiten zorgden ervoor dat ik niet in een sturende rol hoefde te schieten, maar de leerling kon begeleiden vanuit een niet oordelende en behulpzame rol.
Tijdens het gesprek werd duidelijk dat leerling A vooral behoefte had aan rust en afstand van de groep. Zijn non-verbale signalen gaven helder aan dat verder deelnemen aan de les voor hem op dat moment te veel was. Ik heb gekeken in de volwassene positie naar wat voor hem de beste optie zou zijn. We hebben samen afgesproken dat hij de les mocht verlaten. Dit was op dat moment voor hem de beste optie. Ik kon het mijzelf niet verantwoorden om hem terug in de drukte te sturen. Door hem deze ruimte te geven voelde hij zich naar mijn idee serieus genomen. Dit past bij coachgedrag. Aansluiten bij de behoefte van het individu in plaats van blijven duwen richting een doel dat niet haalbaar is.
Ik heb het gesprek afgesloten door kort te benoemen wat ik had gezien. Ik weet niet of alles helder bij hem is binnengekomen, ook mede door de taalbarrière. Ik heb de jongen bedankt voor het gesprek door hem nog een duim en glimlach te geven toen we beide uit elkaar gingen. Door zo af te ronden creëerde ik na mijn idee een veilig einde van het coachmoment. Ik ben sterk van mening dat ik hem liet vertrekken met het gevoel dat hij serieus genomen is.
Transactionele analyse:
Er zijn meerdere momenten geweest dat ik zag dat de jongen zich ingetogen gedroeg. Mijn eerste intentie was om hem direct te willen helpen. Dit is typisch gedrag vanuit de zorgende ouder. Zo liep ik direct achter hem aan toen hij de les verliet. Nu is het dan ook zo dat ik de verantwoordelijkheid voelde om in te grijpen. Bij leerling A zag ik duidelijk het teruggetrokken kind gedrag. Door zelf in de volwassene positie te blijven kon ik aansluiten bij zijn behoefte. Ik bood hem ruimte zonder druk te zetten, waardoor hij ondanks zijn terugtrekgedrag toch openstond voor een kort gesprek. Hier ben ik erg trots op.
Een belangrijk moment waarop ik bewust in de volwassene positie bleef was bij het contracteren van het gesprek. Ik gaf de jongen de ruimte om het gesprek te vermijden. Hij bleef uit beleefdheid toch op de gang staan. Ook tijdens het gesprek bleef ik eenvoudige vragen stellen. Ik probeerde de jongen niet te overtuigen om opnieuw deel te nemen met de les. Ik bleef analyserend en vragend. Door te observeren en zijn non-verbaal gedrag serieus te nemen maakte ik ruimte voor zijn behoefte. Als ik vanuit de kritische ouder had gehandeld was het gesprek waarschijnlijk vastgelopen.
Persoonlijke reflectie:
Het coachmoment met jongen A heeft mij opnieuw bewust gemaakt om rekening te houden met het kwetsbare individu door mijzelf coachend op te stellen i.p.v. sturend. Wanneer ik kritisch naar mezelf kijk realiseer ik mij dat ik een toegeeflijke kant heb. Jongen A heeft eenmaal zonder geldige reden de les vroegtijdig verlaten. Ik wil leerlingen vaak tegemoetkomen vanuit begrip en empathie. De vraag die hierbij opkomt is of de leerling hierdoor misschien misbruik had kunnen maken van de situatie. In dit geval denk ik echter van niet. De non-verbale signalen van de jongen wezen er duidelijk op dat hij er echt doorheen zat. Door zijn ingetogen gedrag zag ik dat er echt iets aan de hand was. Dit voelde ik aan.
Achteraf realiseer ik mij dat mijn aanpak juist helpend was. De betreffende les heeft de jongen niet meer deelgenomen aan de les, maar aan de volgende lessen dan weer wel zonder er één te missen. Het ingetogen gedrag van de jongen was eenmalig. Ik heb hem mijn vertrouwen gegeven, en hij heeft naar mijn idee hier geen misbruik van gemaakt. Sinds de betreffende les is de jongen altijd aanwezig geweest en heeft hij geen ingetogen gedrag meer vertoont. Ik ben daarom sterk van mening dat mijn aanpak helpend was. Toch blijft de keuze erg onzeker, doordat er door de taalbarrière ook weer geen duidelijke afspraken zijn gemaakt tussen mij en de jongen. Het is namelijk niet vanzelfsprekend dat je zomaar de les mag verlaten. Dit moet wel duidelijk zijn.