Visie
Mijn visie:
Inleiding
Nu ik meer inzicht heb gekregen over mijn eigen profiel als sportleraar, wil ik mijn visie op het lesgeven binnen het bewegingsonderwijs ook in kaart brengen. Ik geef altijd les met een achterliggende gedachte, kijkend naar mijn eigen profiel, de context en de doelgroep.
Mijn visie is om iedere leerling via een veilige (sociaal en fysiek), gestructureerde en autonomie ondersteunende sportles te laten groeien in persoonsvorming.
Bewegingsonderwijs opvattingen
Het doel van de ISK is om leerlingen te schakelen naar passend regulier onderwijs door het leren van Nederlands, schoolse- en studievaardigheden en door in te burgeren. De ISK heeft twee leerjaren. De leerlingen van de ISK hebben uiteenlopende achtergronden en zijn afkomstig uit ongeveer 38 verschillende landen (ISK Groningen, z.d.). Mijn lesaanpak past perfect in de visie en denkwijze van de ISK. Zo leg ik de basisfocus in mijn les op veiligheid (sociaal en fysiek), autonomie, SEL en persoonsvorming. Dit sluit bijna één op één aan op wat deze doelgroep het meest nodig heeft. De ISK doelgroep heeft het meeste behoefte aan een veilige en verbindende leeromgeving waarin zij succeservaringen opdoen en binnen duidelijke kaders autonomie kunnen ontwikkelen.
Binnen een klas heb je altijd kinderen die veel bewegen buiten school (sportverenigingen), terwijl andere kinderen nauwelijks bewegen. Hierdoor is er in diezelfde klas enorme variatie zichtbaar in motorische vaardigheden tussen leerlingen. Het grote vaardigheidsverschil hangt ook nog eens samen met andere veel voorkomende problemen zoals onzekerheid, pestgedrag en buitensluiting. Ik geloof dat iedere leerling recht heeft om te mogen sporten en bewegen op zijn of haar eigen niveau. Sport mogen inzetten voor pedagogische doeleinden, zodat iedere leerling sociaal veilig kan sporten, is dus wat je terug zult zien bij mij in de gymzaal. Zo verzorg ik mijn lessen middels het vak concept ‘’ het vormingstheoretische lichamelijke opvoedingsconcept’’. Accent ligt hem hier vooral op persoonsvorming en identiteitsontwikkeling. Zo gebruik ik sport niet alleen om fysieke vaardigheden aan te leren bij de leerlingen, maar vooral om waarden als samenwerking en respect naar een ander. Het sociaal-emotioneel leren (SEL) zie ik dan ook als basis in mijn les. Ik vind dat leerlingen moeten leren omgaan met zichzelf en de ander doormiddel van SEL. Leerlingen die namelijk hun eigen emoties leren begrijpen en zich kunnen inleven in de ander, zullen minder snel anderen kwetsen of pijn doen (buitensluiten, pesten, etc.).
Ik vind het daarom ook erg belangrijk dat er in mijn les een balans is tussen warmte/betrokkenheid en duidelijke grenzen/structuur door mijn opvoedstijl aan te passen naar het autoritatieve. Ik geef duidelijke kaders waarin leerlingen de ruimte krijgen om zelf keuzes te maken (bijv. kiezen met wie je wilt sporten) en verantwoordelijkheid te nemen. De mate waarin de leerlingen keuzevrijheid krijgen ligt aan het stukje zelfstandigheid en verantwoordelijkheid dat de leerlingen aankunnen. Hiervoor hou ik de volgende aspecten altijd in de gaten bij een klas of groep. Mijn relatie met de leerlingen, hoe veilig de klassensituatie is, hoe hoog het zelf regulerende vermogen is van de hoeveelheid bepaalde individuen en in welke groepsfase (forming, storming, etc.) de groep zich bevindt.
Maatschappelijke opvattingen
Mensen geboren buiten Europa voldoen minder vaak aan de beweegrichtlijnen (38,3%) dan mensen met een Nederlandse achtergrond (46,6%). Ook de wekelijkse sportdeelname ligt lager bij mensen die geboren zijn buiten Europa (41% versus 57,9%) (Cijfers en Feiten Sport en Bewegen, z.d.). Volgens Willem den Hartogh zijn er in de sportlessen op de ISK veel jongens die zich willen profileren door te winnen. Voor hen draait het om aanzien binnen de groep. Er zijn ook jongens die gewoon gezellig willen sporten, alleen zijn deze minder zichtbaar. Status speelt een grotere rol dan bij regulier onderwijs. Aanzien is dus echt het motief voor deze doelgroep door de verschillen culturen en het gebrek aan andere manieren om jezelf te kunnen bewijzen binnen het onderwijs.
Dat leerlingen op de ISK gemiddeld minder sporten dan leerlingen op het reguliere onderwijs staat dus vast. Ik ben dan ook van mening dat we sport en bewegen aantrekkelijker moeten maken voor deze doelgroep. Ik wil in mijn lessen dan ook een veilige en positieve sfeer creëren waarin iedere leerling zich welkom en gezien voelt. Ik streef er dan ook naar om veel complimenten uit te delen gericht op sociale factoren (zoals samenwerken) in plaats van op prestatie.
Verder wil ik dat leerlingen plezier ervaren in bewegen en niet alleen sporten om aanzien te krijgen of te winnen. Zo geloof ik dat wanneer je didactische werkvormen aanbiedt waarin iedere leerling succeservaringen kan opdoen, de drang op prestatie en winnen omlaag gaat. Ik vind een voorwaarden voor een veilige, positieve en plezierige sfeer in de les dan ook autonomie. Ieder kind heeft recht op een stukje autonomie. Binnen autonomie versta ik ook de term ‘vrijheid in gebondenheid’. Met andere woorden keuzemogelijkheden binnen bepaalde kaders. Ik vind het belangrijk dat de leerlingen vrijheid krijgen om dingen zelf te bepalen en te beslissen of te doen, maar wel binnen de kaders die ik stel. Zo krijgen de leerlingen binnen bepaalde afspraken toch het idee dat ze iets doen waar ze zelf achter staan en zelf zin in hebben. Kaders zijn dus superbelangrijk. Het is mijn taak als docent om de grenzen aan te geven. Daar moet ik heel duidelijk in zijn. Ik vind dan ook dat ik heel goed van tevoren moet hebben nagedacht over welke ruimte ik de leerlingen geef. Als ik daar zelf niet over nagedacht heb dan lopen ze misschien weg bij dingen. De keuzes die ik aanbied moet ik goed over nagedacht hebben. Het is dus belangrijk om de les goed te organiseren en voor te bereiden. Ik moet aan mijzelf kunnen uitleggen waarom ik het dan ook op die wijze doe.
Pedagogische opvattingen
Maar hoe stimuleer ik eigenlijk in mijn eigen lessen de pedagogische factoren van de ISK leerling? Dit is iets waar ik nooit echt bij stil had gestaan, vandaar dat ik de vraag aan mijzelf stelde. Toch koste het me weinig tijd om dit te beantwoorden! Ik geloof dat dit de doelgroep (adolescentie 12-18 jaar) is waarbij je de meeste impact kan hebben op de psychologische ontwikkeling als leerkracht. Psychologische ontwikkeling houdt in dat je opzoekt bent naar je eigen ik. Met andere woorden, de ontwikkeling van het eigen ik. Erikson (1950) benadrukt dat adolescenten zich voornamelijk bezighouden met hun eigen identiteit. Wie ben ik en waar hoor ik bij zijn dan ook vragen die hun vaak bezighouden. Adolescenten begrijpen steeds beter wie ze zijn (zelfbeeld), maar het accepteren daarvan is een ander punt. Ik ben dan ook van mening dat wij als leerkrachten een hele grote pedagogische factor hierin spelen.
Terugkomend op mijn vraag hoe ik dit dan wil stimuleren. Ik vind het erg belangrijk dat ik in mijn eigen lessen genoeg begeleiding biedt op persoonsvorming, zodat leerlingen kunnen uitvinden wat hun uniek maakt. Dus niet alleen op het gebied van sport, maar ook op andere kwaliteiten. Denk hierbij aan het samenwerken, leiderschap tonen, verantwoordelijkheid nemen en of organiseren. Ik wil dat leerlingen ontdekken wat hun sterke en zwakke punten zijn. Ik ben dan ook van mening dat wanneer de motivatie van de leerling aanpak, ik ieder individu kan begeleiden. Hierbij vind ik het belangrijk om gebruik te maken van het zelfdeterminatietheorie. Dit is een theorie van Deci & Ryan waarbij er gekeken wordt naar relatie, autonomie en competentie. Ieder leerling heeft recht om zich component te voelen middels succeservaring, verbondenheid en keuzemogelijkheden binnen hun zelfregulerend vermogen.
Literatuurlijst:
Bron
- ISK Groningen. (z.d.). https://www.iskgroningen.nl/index.html
- Cijfers en feiten sport en bewegen. (z.d.). Loketgezondleven.nl. https://www.loketgezondleven.nl/gezondheidsthema/sport-en-bewegen/cijfers-en-feiten-sport-en-bewegen
- Erikson, E. H. (1963). Childhood and society (2nd ed.). W. Norton.
- Ryan, R. M., & Deci, E. L. (2000). Self‑determination theory and the facilitation of intrinsic motivation, social development, and well‑ American Psychologist, 55(1), 68–78. https://doi.org/10.1037/0003-066X.55.1.68